Taalunie-bericht: Slongs Dievanongs over grensoverschrijdend dialect en standaardtaal

Slongs Dievanongs: ‘We moeten investeren in dialect.’

 

Kijk, dat is nu een uitspraak naar mijn hart. Alleen: er is al heel veel geïnvesteerd in het onderzoeken en – vooral – optekenen van dialect. Ik bedoel niet dat we er dan best mee stoppen, helemaal niet. Er valt nog heel veel te registreren, te verzamelen en te onderzoeken. Maar het is ook heel duidelijk dat hetgeen er is nog niet de bekendheid heeft bij het grote publiek dat het verdient. Dat heeft twee oorzaken. Je hebt lokale woordenboeken en projecten, en dat betekent meestal dat een heemkundige kring of zelfs een enthousiaste eenling zich eens aan het verzamelen heeft gezet. Dat mondt dan uit in een publicatie die lokaal heel veel succes heeft, maar vaak niet buiten de gemeentegrenzen geraakt. En zo blijft elk project gevangen binnen het eigen eilandje. Anderzijds zijn er een aantal grote, langlopende universitaire projecten, de Regionale Woordenboeken. Twee ervan, het Woordenboek van de Brabantse Dialecten en het Woordenboek van de Limburgse Dialecten, zijn al enkele jaren geleden afgerond. Het derde, het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten, is aan de laatste rechte lijn bezig. Deze projecten hebben een gigantische materiaalverzameling opgeleverd, en een hele reeks woordenboekjes. Maar ook deze woordenboeken bevinden zich op een eilandje, namelijk dat van de universitaire wereld, en het is ontzettend moeilijk om daar uit te breken en de resultaten van deze projecten ook verteerbaar en toegankelijk te maken voor de Slongskes van deze wereld. Het kan, er is alleen nog een instantie nodig die de brug slaat tussen zowel de lokale organisaties als de universiteiten enerzijds en de taal- en dialectliefhebbers anderzijds. Een instantie die veel lawaai kan maken rond de schatten die er zijn, opdat ze gevonden kunnen worden. Eén schat doe ik jullie alvast met plezier cadeau: de Woordenbank.

Advertenties